François Hemsterhuis - Pieter van Damme - 1774-2-16

From Fina Wiki


François Hemsterhuis - Pieter van Damme - 1774-2-16
FINA IDUnique ID of the page  8723
InstitutionName of Institution. The Hague, Rijksmuseum Meermanno-Westreenianum
InventoryInventory number. Archief van Damme 401, f° 57
AuthorAuthor of the document. François Hemsterhuis
RecipientRecipient of the correspondence. Pieter van Damme
Correspondence dateDate when the correspondence was written: day - month - year . February 16, 1774
PlacePlace of publication of the book, composition of the document or institution. The Hague 52° 4' 29.82" N, 4° 16' 10.85" E
Associated personsNames of Persons who are mentioned in the annotation. Arnout Vosmaer
LiteratureReference to literature. Sluis 2017, lettre 12/63, p. 82-831
KeywordNumismatic Keywords  collection price, bargain, lysimachus, forgeries, sertorius, syracuse, greek, sicily, exchange, smyrne
LanguageLanguage of the correspondence Dutch
LinkLink to external information, e.g. Wikpedia https://www.rug.nl/library/heritage/hemsterhuis/brieven
Map
Loading map...
Grand documentOriginal passage from the "Grand document".

-Lettre du 16 février 1774 (de Den Haag) : « Wel eedle Heer en Vriend, Uwe maakt zig een zeer valsch denkbeeld van mijne denk wijze ten opsigt tot de medailles van Vosmaer. De weg door Uwe ingeslagen heeft mij terstont niet behaagt. Echter heb ik in dezen meerder gedaan dan Uwe zelve van mij zoude gevergt hebben. Ik heb hem dagelijks gezien, en hem gezegt dat het eene waarhijt was dat ik f 6000 voor een vriend hadde geboden, dewelke mij versogt had volgens conscientie te handelen. Dat ik hem verseekeren konde dat ik volgens conscientie geen stuiver meerder zoude bieden. Dat het thans de gelegenhijt was om zig te ontdoen van eene liefhebberije die hem geheel niet geleek, en dat bij aldien hij ijmand dwaas genoeg mogte vinden om hem f 6500 te bieden, hij terstont dat bod moest omhelzen. Die Heer mogelijk denkende dat de een of ander Keizer of Kooning om zijne vermaarthijt zijn Penningkasse begeerde, zeide mij dat de prijs van f 8000 bepaalt was. Ik antwoorde daar op het geen zo onbescheiden een eisch verdiende. Wat nu Uwe bod van f 7000 betreft, hier over heb ik Vosmaer niet kunnen onderhouden vermits hij zulks gistren aevond nog niet wist. Zie hier het geen een van beiden zal gebeuren, dog aller waarschijnlijkst het eerste, namentlijk of dat hij van alle verkoping zal afzien, of dat hij het laten zal voor f 7000, mits te rug houdende drie penningen, en deze zullen zijn 1. de goude Lysimachus. Dubieus. 2. een valsch zilver penningje van Sertorius. 3. een valsche kopre penning van Syracuse. Deeze drie pennigen zal ik van hem ruilen en wat de twee laatste betreft zal Uwe ten allen tijde voor ses stuivers van mij kunnen bekomen zo ras ik dezelve ergens toe zal gebruikt hebben. Ik heb gistren avond de Griexe penningen nog doorloopen. Die van Smyrna zijn schoon, dog het bod van f 7000 is groot genoeg en zeer zeker boven de waarde bij aldien ijmand daar mede zoude willen beginnen. De Heer Klijn zoude gaarne zien dat Uwe zelf het plaatsje tot Warmond bezigtigen, als wanneer zig die zaak zig gemakkelijker zoude schikken. Hebbende de eer te zijn, wel edle Heer en Vriend, Uwes ootmoedige en gehoorsame dienaar. Hemsterhuis. 16 febr. 1774 (Den Haag, Museum Meermanno, Archief van Damme, 401 / 57; Sluis 2017, lettre 12/63, p. 82-83).

References

  1. ^  Sluis, Jacob van (2017), François Hemsterhuis. Briefwisseling met overige correspondenten. Hemsterhusiana, volume 12, Groningen