Hubert Goltzius - Abraham Ortelius - 1570-3-2

From Fina Wiki


Hubert Goltzius - Abraham Ortelius - 1570-3-2
FINA IDUnique ID of the page  440
InstitutionName of Institution. The Hague, Koninklijke Bibliotheek
InventoryInventory number. MS 79 C 4 (020), fol. 100
AuthorAuthor of the document. Hubert Goltzius
RecipientRecipient of the correspondence. Abraham Ortelius
Correspondence dateDate when the correspondence was written: day - month - year . March 2, 1570 JL
PlacePlace of publication of the book, composition of the document or institution. Leipzig 51° 20' 26.27" N, 12° 22' 29.03" E
Associated personsNames of Persons who are mentioned in the annotation. Andreas Fabricius
LiteratureReference to literature. Hessels 1887, no. 28, p. 65-681, Callataÿ 2017, p. 79-80, n° 29.2
KeywordNumismatic Keywords  forgeries
LanguageLanguage of the correspondence Dutch
LinkLink to external information, e.g. Wikpedia http://www.numisbel.be/KBGN%20175 Callatay.pdf
Map
Loading map...
Grand documentOriginal passage from the "Grand document".

2 mars 1570 (from Leipzig): “Mijn sonderlinge gutgunstiger vriendt Sr Abraham, V. L. schrijven, tweleke den 14 Februarij te Leipsich ghebrocht wart, en heb ick als heden den 2 Martij duer de naervolghende orsake noch niet ontfanghen, te weten, hier inde Leipsichsche leste Misse waren somighe ghesanten van Hertog Julius van Brunswijck, als die mijns swagers Mr Jacques werck van conterfeitinghen saghen, hebben sij hem soo veel ende soo werde bewillicht, dat wij met hun ghereist syn tt Wolvenbuttel ein mijl weghs op dese syde Brunsweijck, om aldaer den Hertog te conterfeijten, want duer het voorgaende schrijnen van Hiendrick Cramer an den Hertog, soo dunckt ons dat die ghesanten sulcken befel hadden. Als wij dan den 18 dunckt ons dat den 18 Januarij van Leipsich vertrokken, begheerde ick aen Hendrick Cramer dat hij mijn brieven (die mij van Antwerpen ende van elders mochten ghesonden werden) tot Wolvenbuttel wilde senden, want ick sorgde dat Mr Jacques daer langhe werck hebben soude, maer als hij daer ghecomen was, ende gheenen sin hadde daer lang te blijven, schrief ick aan Heindrick Cramer dat hij mijn brieven soude bewaren tot dat wij wederom te Leipzig quamen, maer dit schrijven is hem te spade ter handt commen, want hij hadde doens den brief van V. L. an mij naer Wolvenbuttel ghesonden, waer in ick seer bedroeft wart, als ick den 27 Febr. Widerom met Mr Jacques te Leipzig quam, om dat ick soo groot verlangen naer V. L. schrijven hadde, ende sulx nu bij aventueren noch lange soude moeten derven, mits dat Wolvenbuttel ein nest is daer ghein passagie val tende daer selden iemant komt, dan de ghene die daer met den Hertogh the handelen hebben ende anders en machter oock niemant in gheraken. Maar hoe wel ick voorseker weet dat ick mijn brif noch van daer wel krijghen sal, soo en mochte ick nocthans niet laten V. L. dit met desen bode te schrijven, die als heden meent te vertrecken, op dat ick duer V. L. schrijven noch eens mach vernemen hoe dat mijn saken enden handel daer gaen sinder v leste schrijven. Ende oock om dat ick V. L. wat van die reijse, di wij stil ghewest ende einighe Antique Medalien ghesien hebben. Van Leipzig duer Hal tot Eisleben, daer heb ick bij Andraas Frabricius (sic, den broder van Georgius Fab. Cemnicensis, somighe medalien ghesien, te Mansfelt bij Cyriacus Spangenberg, onder vele een Grexsche die ick te voren dier ghelijck gheen ghesien n hadde, voorts duer de graefscahp STolberg (in v carte staet Stalberg) tot Quedelinborg ein redelick groote ende schoone stat, tot Halberstat Johan Macholt J. V. D. tot Wolfenbuttel. Die weil Mr Jacques daer int werck was van conterfeijten, ghinck ick te Brunsweick daer ick Mr Lutgert van Munster, wonhaftich vant, det leijde mij bij Martinus Chenitius, bij Berthold Rijchart, J. V. D. ende by Augustin van Pein Burgmeister, die oock somighe medalien hebben unnd heeft Mr Lutgert (sic) mij ghebden in mijn eertse schrijven synen virendelicken grut and V. L. te doen. Van daer quam ick weder te Wolvenbuttel, ende als Mr Jacques daer ghedaen hadde residen wij van Brunsweick duer Helmstat tot Magdenborg, daer moeten wij 3 daghen stil ligghen om dat men over die Elb niet en conste die soo groot was dat wij meer dan een mijl te shcip mosten over vaeren, ende moeten voorts te voet reijsen want onse Koutse mit 3 perden (die on stot Leipsig zoude gheleuert hebben), moste dies halven weder te rugghe keren ; te Magdeborg heeft den greffier Heinricus Marcel onder veel medalien eenen Philippus Imp. Mit een schoon revers ende dese inscriptie PROVINCIA DACIA, dier ghelijck ick gheen meer en heb ghesien. Tot Zerbst sach ick bij Abraham Ulrich, velle medalien, ende te Wittenberg bij Caspar Peutzer D. Medicus, ende bij Paulus Eberus, daer moeten wij oock tot op den 3 dach stillighen om des grooten waters willen ende ten lesten ein mijle weghs tot Kemmerck over het eijs gaen, ende somighe medalien heeft) ende duer Eijlenburg tot Leipsig gecomen den 27 Februarij. Mijn swager Jacques sal hier te Leipsig noch wel werck hebben tot Paessen, daerom schickt uwen brief noch op Leipsig ten huijse van Heindrick Cramer, want al waren wij vertrocken, soo sal hij ons den brief wel connen naer senden tot Freiberg 4 meil van Dresden, daer Mr Jacques oock einen treffelicken Edelman conterfeiten sal, dien hij hier te Leipsig nu des goeden loons haluen aen ghenomen heeft te conterfeiten. Ick en schrijve dies reijse an mijn huijsvrou niet, om dat ick an haer niet en weet te schrijven voor dat ick mijn brieven van Wolfenbuttel widerom ontfanghen hebbe, ende dan sal ick an haer ende an Mijn Heer van Waterfliet schrijven, want ick vermoede of daer eingihe breiven van mijn huisvcrou ende van mijn Heer van Waterfliet mochten bij sijn, maer indien het noot is, of te passe comt, so ontbiet haer dat ghij schrijven van mij ontfanghen hebt, ende dat sij corte oock schrijven van mij sal ontfanghen. Van hier en is gheen ander niewicheyt te schrijven, dan dat men over al den reuteren wartghelt ghift, ende dat men is somighe platsen de trommel slaet om voetvolck aen te nemen, voor wien of waer toe te kanmen noch niet eighentlick weten dan dat somighe vermoden, datter een krieg tusschen Hertog Augustus ende Hertog Hans Wilhelm werden wil, want Hertog Aug. Verdrieft wt sijn landen alle de Flaciansche predicanten, ende die lopen alle int Lant van Durignhen ende werden daer inde platse ghestelt van de Adiaphoristen ende Interimisten, de welcke van Hertog Hans Willhelm alle veriaecht werden ende huer toe vlucht nemen an Hertog Augustus, so dat dies haluen hier due ralle dese landen wonder te segghen ende te doen is, hun disputatie, diese te Aldenburg in Meissen ghehouden hebben, di hebben de Flacianer te Jena ghedruckt, van welcke exemplaris Hertog Aug. hier te Leipsig een heele tonne vol heeft doen verbranden. Ick hebse om tijt cortinghe eins overlesen, ende dunckt mij een schandalues of schadelick dinghen sijn. Niet anders mijn goetgunster vrient Abraham, dan V der ghenaden Gods mit V. L. moeder ende suster bevelende ende vreindelick gruetende” (Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, MS 79 C 4 (020), fol. 100; Hessels 1887, no. 28, p. 65-68).

References

  1. ^  Hessels, J.H. (1887), Abrahami Ortelii (geographi Antverpiensis) et virorum eruditorum ad eundem et ad Jacobum Colium Ortelianum (Abraham Ortelii sororis filium) epistulae cum aliquot aliis epistulis et tractatibus quibusdam ab utroque collectis (1524-1628) ex autographis mandante ecclesia Londino-Batava, Cantabrigae. Reprint: Osnabrück, O. Zeller, 1969.
  2. ^  Callataÿ, Fr. de (2017), “Glory and misery of Belgian numismatics from the 16th to the 18th c. as seen through three milestones (Goltz 1563, Serrure 1847 and the Dekesels) and private correspondences”, in J. Moens (ed.), 175 years of Royal Numismatic Society of Belgium. Proceedings of the Colloquium ‘Belgian numismatics in perspective (Brussels, 21 May 2016’), Brussels, pp. 37-129.